HANDEL IN SIERTEELT VROEG OM SPECIALE MANDEN

<< Terug naar Artikelenindex
Uit Vlechtbulletin nr. 10, maart 2007

door H.J. Reenen

"Het is in de Boskoopse boomteelt niet anders dan in de meeste industrieŽn en ondernemingen. De productie wordt gewijzigd, systemen veranderen. Een aspect daarvan is het verdwijnen van tenen manden, die vroeger in grote aantallen werden gemaakt. De inmiddels overleden mandenmaker Piet van den Dool kon als geen ander daarover vertellen".

Vader Wouter van den Dool met zijn zoons
De boomteelt is al in de middeleeuwen begonnen met vooral fruitgoed, fruitbomen, en daarin heeft de sector zich goed ontwikkeld. Later ging men zich toeleggen op de sierteelt, maar die stelde andere eisen, zeker op het gebied van afzet en vervoer.
Zo kwam het, dat op het eind van de vorige eeuw en het begin van deze eeuw er behoefte kwam aan een pakmand. Een serie manden eigenlijk. "Boskoopse" manden, die aangepast waren aan het verzenden en het goed verpakken van verschillende producten die naar binnen- en buitenland moesten. Men was toen nog niet-zo bedreven in het geven van namen, dus bijvoorbeeld een mandje van twintig cent werd een mandje van twintig en een mandje van vijf en twintig heette een kwartje. Zo ging dat eigenlijk door, tot manden die toentertijd tachtig cent kostten. En zo bleef dat, tot de tijd dat de manden werden verdrongen door andere verpakkingsmiddelen. Volgens Piet van den Dool was dat in de jaren zeventig. "Maar dat ging natuurlijk geleidelijk", legt hij uit. "Het is niet zo dat de mand van de ene dag op de andere verdwenen was. Men heeft verschillende dingen gehad en ťťn ervan was de viskist, een kist die door de vishandel gebruikt werd. Zo'n kist mocht maar ťťn keer gebruikt worden om hygiŽnische redenen. Maar voor de Boskoopse producten gold dat niet. Die viskisten waren goedkoop te krijgen en dat was de eerste concurrentie die de mandenmakers ondervonden. Die kisten deden het goed, het was eigenlijk het begin van een ontwikkeling".
Maar er veranderde nog iets: het vervoer.

Vader Wouter den Dool brengt met zijn twee zoons het ingekochte materiaal per schouw naar de werkplaats aan het Laag Boskoop. De foto is eind jaren twintig gemaakt.

Verpakking
Vanaf de middeleeuwen tot ongeveer 1900, vond het vervoer plaats met paard en wagen en met schuiten. Bij vervoer over water werd veel met beurtschippers gewerkt. De goederen werden dan als stukgoed behandeld. In deze eeuw bewees de trein lange tijd goede diensten, maar omdat bij deze wijze van transport de producten verschillende keren werden overgeladen, moest er meer aandacht aan de verpakking worden besteed. Van den Dool vertelt dat de meeste Europese landen per spoor werden bediend. "Maar voor Engeland en ScandinaviŽ moest men van de boot gebruik maken. Schouten moest alles bij de handelaar ophalen en naar de haven brengen. Daar werd het op de boot gezet, in de haven van aankomst opnieuw gelost en eventueel verder met de trein vervoerd. Dat was voor het binnenland ook zo. Ik weet nog wel dat het Boskoopse bootje, het 'Strijkijzer' genaamd, voer op Gouda. Als er dan iets naar Schoonhoven moest, dan was er in Gouda een andere beurtschipper die het naar die plaats bracht. Door al die verladingen moesten de sierteeltproducten dus goed verpakt zijn." En zo komen we bij de mand als verpakking, al werden er natuurlijk ook voordien manden gemaakt. Van den Dool: "In de landbouw zijn altijd manden gebruikt, vanaf de vroege middeleeuwen, zoals fruitmanden, plukmanden, o.a. voor kersen en aardappelrooimanden. Dat waren de zogenaamde bolle manden. En de productie paste zich bij de vraag aan. Er werden ook visfuiken gemaakt, maar dat is weer een ander verhaal. Ik moet dan even aanstippen dat wij ook wel palingfuiken gemaakt hebben. Maar er werden ook veel rattenfuiken gefabriceerd. Dat gebeurde niet op bestelling, maar ze werden in voorraad gehouden, er was regelmatig vraag naar een fuik, hoofdzakelijk voor de waterrat, die soms veel schade veroorzaakte."

Het materiaal
Met kennis van zaken spreekt Van den Dool over de herkomst en eigenschappen van het gebruikte materiaal. "Het Hollandse griendhout (Salix is de Latijnse naam, maar deze werd door de mandenmakers nooit gebruikt) was gewoon teenhout, je had wel verschil in kathout en grauw en rood, dat waren volksbenamingen. Over het algemeen was de Hollandse teen prima. Holland is een land waar best wilgen willen groeien door een vochtig klimaat en soms een redelijk warme zomer. Dat was ook wel belangrijk want ook een griend wil zon hebben, dan rekt het hout beter. Over het algemeen was de kwaliteit goed, al was het niet altijd het mooiste en het slankste. Dan moet je meer in de warme streken zijn, daar groeit het wat sneller. En al was de Hollandse wilg dan wat meer vertakt, dat was voor die pakmanden niet zo erg. Dat waren ruwe manden; als ze maar sterk waren dan was het goed."
Na gebruik (verzending) kwam de mand niet meer terug. Vanuit Engeland is wel eens geprobeerd de manden retour te zenden maar daarvoor moesten nogal wat vrachtkosten betaald worden en daarbij was het nog maar de vraag in welke conditie de manden terug kwamen. Volgens Van den Dool was dit niet zo'n succes. "Daar kwam nog bij dat de klant, die in het buitenland zo'n mand ontving, er dikwijls profijt van had, want die kon hij op z'n kwekerij wel weer ergens anders voor gebruiken. Zelfs toen het mandengebruik hier terugliep, hebben ze vanuit Duitsland wel gevraagd de producten weer in manden te sturen, want daar zaten ze om manden te springen."


Pakmanden
Verschillende manden
Manden die op de kwekerij en in de loods werden gebruikt, waren echte gebruiksmanden. Enige uitleg werkt verhelderend. "Kijk, vroeger was de structuur in de kwekerij anders. Er waren grote firma's die een flinke collectie stekplanten zelf op de tuin hadden staan. Tegenwoordig wordt stek overal geknipt, gekocht en verhandeld, maar toen luisterde het met veredelen wat nauwer. ledere handelaar had wel een speciaal artikel waar hij veel reclame mee maakte waarin de firmanaam genoemd werd. Hij had op de tuin planten staan en daar werden de griffels (1) en het stek van gesneden. En dan had je kassen die je nu niet meer zo ziet, dat waren echte kweekkassen met daarin verschillende afdelingen. De kasbaas, het hoofd van de kas, knipte van de heesters de takken voor de griffels en het stek en hij verzamelde die in een grote hengelmand, ik heb er nog een in de werkplaats staan, en daar gingen de griffels in. Zo is de kasmand ontstaan.

Tegenwoordig gaat alles in plastic zakken. Dan was er nog het spanenmandje. Dat werd door de baas gebruikt. Vroeger ging de baas mee rooien, de knecht ging met de schouw naar de hoek en de baas kwam er achteraan met een mandje spanen. Hij schreef dan de spanen (houten labels die met een touwtje of ijzerdraad aan de planten werden vastgemaakt) voor de bomen die gerooid werden en had dan ook meteen het oog erop dat het goede bomen waren.
Het spanenmandje was een klein hengselmandje. Daarnaast had je het vuilraapmandje, daar werd het vuil (onkruid) in verzameld na het wieden. Tegenwoordig wordt daarvoor een plastic emmer gebruikt. De rattenfuiken zijn al genoemd, maar ook waren er palingfuiken, waar niet zoveel vraag naar was. Dat was meer voor de kleine kwekers die nog wel eens een palingfuik uitzetten, vooral aan een hoofdeinde van de verbouwing en dan zwommen ze daar zo in. Ik heb nog wel; zo'n palingfuik in de loods zodat men kan zien hoe die in elkaar zit", meldt Van den Dool.

Het materiaal
Hij vervolgt: "Het is zo dat die Hollandse wilg op verschillende plaatsen groeit, maar niet in Boskoop. Daar is de grond hier te licht voor. Voor die teen moest je naar het land tussen de grote rivieren, de zware kleistreken. Daar had je grootgrondbezitters, de adel, die veel griendlanden bezaten voor de jacht, maar ze wilden ook dat het wat opbracht. In november, tot in december toe, werd er gejaagd en daarna gingen ze de griend snijden. Waarbij er overigens ook nog verschil gemaakt moest worden tussen eenjarige grienden en de drie- en vierjarige. De eenjarige griend was goed voor de mandenmakerij en de andere om stokken van te maken. De lelijke gingen als bonenstokken en van de mooie konden nog hoepels gemaakt worden. Ook werden die gebruikt voor de stoelenfabricage. Die zware grienden vond je meer in de omgeving van de Biesbosch en buitendijks." De handel is een apart verhaal. "In de omgeving van Langbroek had je heel veel landadel en die had dan weer een rentmeester die dat allemaal verzorgde. Er werd dan een veiling georganiseerd onder een deurwaarder of een notaris. Dan kreeg je een z.g. teenboekje thuis gestuurd. Daar stonden alle percelen in van de diverse eigenaren die op de veiling kwamen. Ook wat grootte betreft, en deze werden per afslag geveild. Aanvankelijk, toen mijn vader begonnen was, kocht hij de teen meer via de handel. Ik kan mij dat heel goed voorstellen, want toen hij alleen begon, had hij het te druk met het werk, Maar toen wij (zijn twee zoons) in de zaak kwamen en we meer mogelijkheden hadden, ook financieel, hebben we besloten rechtstreeks op de veiling te kopen. Dat scheelde belangrijk in de prijs en in de keuze. We zijn dus naar Utrecht naar de veiling gegaan, ook wel in Linschoten, niet te ver hiervandaan. Daar werd het nog met inschrijving gedaan. Overigens uitsluitend in Linschoten, bij de anderen kon het niet. In Maas en Waal was het nog anders, daar kon je alleen inschrijven op de verkoopdag zelf." De grienden werden meestal gesneden door de eigenaren, maar de koper moest zelf eerst de bossen komen keuren. En hij moest ook zelf voor het vervoer zorgen, al was het wel zo dat bij de meesten de afspraak bestond dat de tenen aan de harde weg geleverd werden, of aan het water, zodat ze met de boot vervoerd konden worden. Van den Dool: "Wij waren er sterk op ingesteld dat het aan het water geleverd werd, want met kleine aken kon men hier bij de werkplaats binnen komen, via de sluis de polder in en konden we hier het achter uitladen."

Voldoende variŽteit
In de regel werden verschillende partijen gekocht om voldoende variŽteit te hebben in prijs en kwaliteit. "De tweede helft van november ging je op stap en dan werden al die grienden doorgelopen en werd een keus gemaakt. Als je dat jaren doet dan weet je, waar je wel of niet moet zijn en waar je op moet letten." Het materiaal kon meteen, zonder verdere voorbewerking, gebruikt worden. "Van een groene teen kon je zo een mand maken, maar het bezwaar is dat de teen krimpt en door dat krimpen, wordt hij losser. Mijn vader zei: als je dertig staken hebt opstaan, dan kun je er wel acht of tien groene tussen zetten want dat was het voordeel van het voorjaar, dan hoefde je ze niet in het water te leggen. De teen kwam in december, januari aan en werd hierachter op klampen gelegd.
Dat zijn van die afwaterende gelegenheden waar de noordoostenwind goed inkwam en de regen dus zoveel mogelijk van af liep. En als het dan een redelijk voorjaar was dan had je dikwijls van die schrale winden en dat was gunstig voor ons. Onderop lagen de z.g. sprotbossen, afvalbossen, dus de wind kon er altijd vrij doorblazen. Half mei waren we ongeveer zover dat de sappen eruit waren, je kon ze dan niet meer gebruiken, want de taaiheid (2) was dan verloren gegaan. Voordeel was echter dat je ze kon opbergen en eventueel jaren goed houden.
Wanneer je ze dan weer wilde gebruiken, moest je van tevoren berekenen hoelang ze in het water moesten. In de zomer, wanneer de temperatuur van het water hoger is, moest je ongeveer op een week, acht dagen rekenen, maar in de winter, was het bijna het dubbele. En wij deden dat bijna altijd in de sloot naast het huis en wanneer er dan sterk ijs was, moest je hakken! Je probeerde wel iedere dag die beet open te houden, anders vroor die teen erin en dan kon je wachten tot de dooi voordat je ze weer kon gebruiken. Wanneer die teen goed gedroogd was, kwam ze meestal in een rachelloods terecht, maar in de beginjaren -dit is een oude boerderij - hebben we ook nog een oude hooiberg (of mijt) als opslagplaats gebruikt. Daar had de wind vrij spel en de regen bleef er uit."

Flauwe Hap
In vroegere tijden waren er heel wat grienden. Er is zelfs een tijd geweest dat in de bermen van de spoorwegen ook grienden waren. Maar daar is men van teruggekomen, want er kleefden nadelen aan. Het zijn smalle strookjes die veel wind vingen en zo kreeg je geen mooi gewas. Een ander bezwaar was dat de spoorwegen steeds drukker werden. Het geoogste materiaal moest met lorries naar een bepaald punt gebracht worden en dat kon op een gegeven ogenblik niet meer. Het was hard werken in de tijd. Van den Dool vertelt dat er normaliter werd gewerkt van zes tot zes met een pauze van twaalf tot half twee om warm te eten. En een koffiepauze met een 'flauwe hap': een boterham met kaas. 's Avonds na werktijd volgde weer een broodmaaltijd en dan gebeurde het vaak, vooral in het verzendseizoen, dat er nog een paar uur gewerkt werd.
"Toen ik nog op school zat, moest ik 's avonds na zessen de kachel in de werkplaats opstoken, want mijn vader en mijn broer, ik had nog een oudere broer (Paulus, geboren 12-1 -1907), die gingen na zessen weer werken en dan moest ik zorgen dat de werkplaats warm was en daarna mocht ik wel naar binnen. Dergelijke lange werkdagen waren er niet het hele jaar, alleen in het voorjaar- en najaarseizoen. Vroeger was het najaarsseizoen belangrijk en ging er veel meer weg dan tegenwoordig. Na St. Nicolaas werd het rustiger en dat duurde tot ongeveer februari. Was het een 'zachte winter' dan werd er voorraad gemaakt voor de lente. Maar een lange winter vormde een probleem. In de zomer werd ook voorraad gemaakt. Er was altijd de spanning om aan je productie te komen. En omdat het handwerk is, komt het natuurlijk toch op je lichaam en je handen aan. Dat is heel anders dan wanneer je met machines werkt." Niet zelden werd er ook op zaterdag tot vijf uur gewerkt.
Het bedrijf had ook wel personeel in dienst. Dat waren mensen die meestal
uit de Lekstreek kwamen, uit Ammerstol of Bergambacht, die op de fiets naar Boskoop kwamen, in de kost waren en op zaterdagmorgen weer naar huis gingen. Het was moeilijk om vakbekwame mandenmakers te vinden.
In Boskoop zelf woonden er praktisch geen. "Het is een apart vak", meent Van den Dool. "Ik wil niet zeggen dat het zo'n kunst is, maar je moet er wel vaardigheid in hebben en een paar sterke handen om met zwaar materiaal om te kunnen gaan."

Bij kaarslicht
Vader (Wouter, geboren 27-11-1880, afkomstig uit de Lekstreek) was in 1911 als knecht in een bedrijf gekomen en besloot na een jaar of zes voor zichzelf te beginnen. Hij had het niet breed en er waren voor een mandenmaker wel mogelijkheden in Boskoop. Daarmee brak een periode van hard werken aan,hij moest ook een huis hebben met een schuur, eentje het liefst gelegen aan het water.

Spanenmandje
Vaak werkte hij ook 's nachts. "En dan moet je voorstellen, dat was in de jaren ' 14-' 18; de verlichting was slecht zodat hij wel eens heeft moeten werken bij kaarslicht! Dat kun je je nu niet meer voorstellen. Het waren ontzettend zware jaren en toen ik van school kwam, vroeg mijn vader me in het bedrijf te helpen. Toen we eenmaal zover waren, hebben we de schouders er onder gezet om zoveel mogelijk zelfstandig te worden. De jaren dertig waren crisisjaren, toen ging het in Boskoop ook niet best. We gingen toen aardappelrooimanden maken en met de transportfiets probeerde ik die te verkopen in Benthuizen en de Hoogeveen. De boeren hadden die manden nodig, want ze moesten aardappelen rooien en spruiten plukken, daar werden ze ook voor gebruikt. Zo hebben we de zaak draaiende gehouden, maar het ging niet bepaald gemakkelijk. Tijdens de mobilisatie heb ik een maand of negen in Noordwijk gelegen. Ik kon op den duur een paar dagen per week zakenverlof krijgen en toen de bezetting kwam en de oorlog na vijf dagen beŽindigd was kreeg ik na enige tijd toestemming om naar huis te gaan. We zijn weer gaan werken, maar alles werd gedistribueerd, ook het teenhout. Dus moest je proberen het met hangen en wurgen te redden. Het is geen artikel dat je zo gemakkelijk ongezien hier kunt krijgen, dus dat ging moeizaam. We hebben geluk gehad dat de controle hierop in deze streek weinig voorstelde, zodoende hebben we nogal wat clandestien kunnen kopen. Er was toen een goede handel in, tegenwoordig zou het fraude zijn, toen was het een eer. Zodoende hebben wij dus die bezettingsjaren met hard werken en wat minder eten overleefd. Maar doordat ik het contact gehad had met een aantal boeren kon ik nog wel eens wat opscharrelen. En al was het geen overdaad, je kwam in ieder geval die jaren door.

Spanenmandje

Ik kreeg vrijstelling van de tewerkstelling in Duitsland omdat ik nuttig werk deed voor de boomkwekerij; ze moesten manden hebben. Maar als je materiaal zwart kocht, kon je het niet thuis opslaan. Dus gingen we rondkijken naar een tuinschuurtje of een afdak om het spul neer te zetten. Dat gaf wel wat extra werk, maar je had in ieder geval je materiaal. Ook buiten de distributie om kon je wat rommelen."

Goede prijzen
De bevrijding betekende een opleving. Iedereen ging weer volop aan het werk, er was van alles nodig en de prijzen waren goed. Dit had wel tot gevolg dat iemand die als bouwvakker meer kon verdienen dan in het mandenbedrijf, er uit stapte. Bij Van den Dool hebben ze het een tijdje op kunnen vangen door mensen van elders aan te trekken, maar op een gegeven moment kon men de vraag niet meer aan en werden manden ingekocht. Tot in Meppel en Steenwijk toe waren er mandenmakers voor het Boskoopse bedrijf aan het werk. Ook in Brabant werden manden gekocht om in Boskoop maar voldoende te kunnen leveren.

Middeleeuwse manden
In de jaren zeventig liep het werk sterk terug en Van den Dooi zette er een streep achter. Daarna leverde hij nog wel wat werk op bestelling en maakte hij manden voor het Alphense themapark "Archeon". Aan de hand van tekeningen heeft hij middeleeuwse manden en vogelkooien gemaakt zoals die heel lang geleden in gebruik waren.
Andere bekende mandenmakers in Boskoop waren De Waard (Biezen), Kompeer (Reijerskoop), Van Gelderen (Nieuwstraat) en Dortland (Koninginneweg). Over hen willen we het ook nog een keer hebben...
Gepubliceerd in PAKTIJD nr. 11 december 1999 en overgenomen met toestemming van de Historische Vereniging Boskoop.

1' wij komen er voor het ter perse gaan van het bulletin niet achter wat een griffel is (red.)
2' moet volgens ons "soepelheid" zijn (red.)